Essay: Eenzaamheid na de informatierevolutie

Mijn wereld in 20401

In 2040 is de informatierevolutie nog maar net uitgeraasd. De wereld - althans het gedeelte waarop de informatierevolutie van toepassing is geweest - is er al met al misschien niet eens méér bij gebaat dan dat ze onvoorzien aan extra ellende heeft moeten incasseren. Een illustratief voorbeeld is het grootschalige proces van vereenzaming, dat op gang is gekomen sinds in snel tempo steeds meer werkzaamheden zijn verplaatst van werkplekken buitenshuis naar sober ingerichte werkkamers met een computer bij de werknemers thuis. Vond men rond 2000 iemand die thuiswerkt nog bijzonder, nu is zo iemand gewoon één van de velen. Tevens is de discussie die aanvankelijk in reactie op deze ontwikkeling in alle hevigheid losbarstte, geheel bedaard. Thuiswerken heeft onder andere het fileprobleem opgelost en het milieu voor een belangrijk deel ontlast, een kniesoor die nog let op de sociale misère die het heeft veroorzaakt, vindt men. De politiek is al helemaal niet geïnteresseerd. Zij lijkt namelijk allerminst van plan de oplossing die zijzelf jarenlang heeft verkondigd te bekritiseren. De informatierevolutie heeft ongekende welvaart gebracht, maar tegelijk ongekende geestelijke armoede. In 2040 werken de meesten wekelijks zelfs minder dan 32 uur. Hun vrije tijd weten ze daarentegen maar moeizaam in te delen. De drempel om contacten met anderen te onderhouden is bovendien langzaamaan steeds hoger geworden. Waarom de wereld in 2040 eruit ziet zoals ik denk dat die eruit ziet, zal ik in het nu volgende zo helder mogelijk proberen te zeggen. Mijn stelling is deze: in 2040 kent de wereld meer eenzaamheid dan ooit.

In 2000 was gebruik van het internet enorm in opkomst. Daarnaast was binnen een ongeëvenaard kort tijdsbestek iedereen in het bezit van een mobiele telefoon. Vooral werkgevers vonden die gewoon nodig, omdat hun personeel nu eenmaal altijd oproepbaar diende te zijn. Vrijwel niemand maakte overigens bezwaar, want velen vonden het makkelijk om bereikbaar te zijn en hielden wel van een informeel en gezellig telefoongesprek nu en dan. Onbewust liet men zich beroven van veel vrijheid, in ruil voor blijvende arbeidstijdverkorting zonder verlies van inkomen. Dat argument werd geslikt voor zoete koek. De flexibilisering van alle maatschappelijke activiteiten richtte de sociale cohesie te gronde, doordat men op de meest uiteenlopende tijden ging werken en als gevolg hiervan steeds minder in de gelegenheid kwam gezamenlijk iets te ondernemen.

Binnen gezinnen werd bijvoorbeeld op den duur de maaltijd niet langer met z’n allen gebruikt, waardoor het contact tussen de verschillende gezinsleden ernstig verwaterde. Sommigen vonden dat heel spijtig, maar waren anderzijds niet of nauwelijks bereid een flink stuk welvaart op te geven voor regelmatige werktijden. Flexibel werk leverde nu eenmaal veel op, want de gemondialiseerde en veranderlijke economie aan het begin van de eeuw was meer gebaat bij arbeid die op elk moment van de dag en op elke locatie kon worden ingezet dan bij immobiele arbeid. Je zou kunnen zeggen dat men volledig afhankelijk werd van de grillen van de markt, terwijl men dat proces juist ervaarde als vrijheid en vooruitgang. Zeldzame uitzonderingen op deze gewillige massa waren de streng gelovigen en sommige wetenschappers. Zij voorspelden het einde van belangrijke sociale structuren en het begin van een autistische samenleving. Omdat zij wel vaker zulke zware taal gebruikten, dacht iedereen dat het ook deze keer wel mee zou vallen.

Vervolgens ging men omstreeks 2020, zoals gezegd, massaal thuiswerken. De financiering van kantoren, scholen en andere instellingen waarin dingen gedaan werden die goedkoper en gemakkelijker via de elektronische weg gingen, werd onhoudbaar, mede dankzij het overheidsbeleid dat thuiswerken middels fiscale en andere voordelen stimuleerde. Dat impliceert dat reeds een hele generatie is opgegroeid die in plaats van dagelijks naar school te zijn geweest, dag in dag uit via educatief verantwoorde en levensechte 3D-computerprogramma’s op efficiënte wijze de nodige kennis tot zich heeft moeten nemen. Deze generatie jongeren kent het fysiek samenleven met anderen alleen van het uitgaansleven en incidenteel door de onderwijsinstellingen georganiseerde excursies. Sport en culturele activiteiten zijn zich op een ander niveau gaan afspelen. Individuele sporten hebben de teamsporten vrijwel volledig vervangen, omdat teamleden onmogelijk tegelijk kunnen trainen of wedstrijden spelen, zij moeten immers over het algemeen te allen tijde oproepbaar zijn.

Culturele activiteiten ontplooit men voornamelijk via het internet. In de kunstwereld is het eenvoudigweg ‘in’ om kunst met het internet te maken en op datzelfde internet kunst aan te bieden. De beweging die een radicale breuk eiste met de tastbare uitingen van de mensen in de moderne beschaving was zo succesvol, dat niemand zich meer waagt aan schilderen met echte verf of keramiek met echte klei. Overige activiteiten vinden plaats op het internet, enkel omdat het eenvoudiger is om virtueel contacten te leggen dan fysiek. Afgezien van de uren dat men slaapt, brengt men namelijk gemiddeld meer tijd door op het internet dan in de ‘echte’ wereld. Het is stil op straat.

De balans opmakend, is de wereld 41 jaar na vandaag keurig gestructureerd en klaarblijkelijk blakend van gezondheid. In de landen waar de informatietechnologie zeer vergevorderd en sterk geïnstitutionaliseerd is, is al meer dan tientallen jaren geen oorlog meer geweest, werkloosheid en armoede komen nauwelijks meer voor, het aangetaste milieu lijkt zich te herstellen en bijna alle vervoersproblematiek is opgelost, dit dankzij het elektronische alternatief. De schaduwzijde is een stuk lastiger te analyseren, aangezien die minder zichtbaar is en slechts weinigen ermee naar buiten treden. Toch zijn enkele feiten alarmerend. Het aantal mensen dat zelfmoord pleegt vertoont al jaren een stijgende trend. Steeds meer mensen vertonen destructief gedrag, zoals ouders die hun kinderen ombrengen vanwege onverwerkte trauma’s of onvrede met hun leefsituatie, die ze vaak maar moeilijk kunnen duiden. Men hecht geen waarde meer aan privacy. Ieders gegevens zijn vrij verkrijgbaar en uit verveling leiden velen het leven van een exhibitionist. Het begrip eenzaamheid zou dus een significante factor in de oorzaken van deze, naar mijn interpretatie, sociale wanorde kunnen zijn. Mijn stelling is explicieter: eenzaamheid heeft de samenleving ontwricht. Wellicht komen de generaties na 2040 nog eens tot de conclusie dat datgene wat destijds werd afgedaan als ‘inefficiënt’ (bijvoorbeeld werken in groepen op gezette tijden, sporten of iets cultureels tot stand brengen in groepsverband) op de lange termijn toch onmisbaar en zeer nuttig is. De vereenzaamde mens in 2040 heeft in materieel opzicht alles wat hij/zij zich wenst, maar mist iets fundamenteels dat in de tijdgeest die zich kenmerkt door no nonsense en vooruitgangsgeloof niet of nauwelijks is te benoemen. Anno 1999 zouden we spreken van geestelijke armoede en gebrek aan structurele sociale verbanden. Hopelijk ontdekken we tijdig dat de wereld, zoals die in 2040 misschien is, niet een ideale is en inzien dat ons soms welhaast ongebreidelde optimisme omtrent innovaties op informatie-gebied veel te eenzijdig is.

Eenzaamheid na de informatierevolutie
1 Mijn wereld in 2040 (Ministerie van Binnenlandse Zaken, Den Haag, 2000) is een speciaal uitgegeven boekje met winnende inzendingen van een essay- en gedichtenwedstrijd bij het onderwerp ‘Achter de overheidsschermen’. Jongeren tot 26 jaar werden uitgenodigd weer te geven hoe zij over de toekomst denken. Van de driehonderdvijftig inzendingen werden er eind 1999 twintig genomineerd. De jury (Jan Terlouw, Nina Brink en Hagar Peters) was enigszins verrast over de overwegend sombere toekomstvisie van de jongeren, doordrenkt van angst voor te veel controle en gebrek aan privacy.

Alle rechten voorbehouden
© 2006-2008
RSS