Het begrip ‘democratisch tekort’ wordt vaak in één adem genoemd met de gang van zaken in de Europese Unie. Zeven van de tien treffers op Google verwijzen hier dan ook naar. Wat houdt dit tekort eigenlijk in? En hoe willen politici en opinieleiders het te lijf gaan? Een overzicht.
Het democratisch tekort is een objectief dan wel subjectief verschil tussen het ideaaltype ‘democratie’ en de democratie zoals deze in werkelijkheid functioneert. Gezien de uiteenlopende democratie-opvattingen is het logisch dat de meningen nogal uiteenlopen.
Hans van Baalen (VVD-Tweede Kamerlid) stelt bijvoorbeeld dat er geen tekort is, alleen een herkenningsprobleem. Dorette Corbey (PvdA-Europarlementariër is het hartgrondig met hem oneens. Er zijn volgens haar wel degelijk institutionele tekortkomingen: het Europarlement heeft slechts bij een gedeelte van het EU-beleid recht van medebeslissing, terwijl EP’ers geen recht van initiatief hebben.
Hoogleraar Andrew Moravcsik schetst juist weer een rooskleurig beeld. De Europese besluitvorming zou zich kenmerken door “gedeeld toezicht van democratisch gekozen nationale regeringen en rechtstreeks gekozen Europarlementariërs, plus een systeem van checks and balances waarop de bedenkers van de Amerikaanse Grondwet trots zouden zijn.” Wel erkent hij problemen bij de beeldvorming onder Europeanen.
Deze beeldvorming heeft er onder meer toe geleid dat de discussianten op Europadebat.nl een vijftal ondersteunende argumenten hebben aangedragen bij de stelling ‘Er is gebrek aan democratie in Europa’.
- Grote lidstaten (Frankrijk, Duitsland) hebben relatief veel macht
- Het Europees Parlement heeft onvoldoende macht
- Verkiezing van het Europarlement is niet democratisch (immers geen ‘one European, one vote’)
- Lobbygroepen en multinationals hebben de macht
- De Europese Commissie is niet democratisch gekozen
Politieke partijen dragen diverse maatregelen aan om het wantrouwen van de kiezer over de vermeende ‘ondemocratische Unie’ weg te nemen. Zo wil GroenLinks een referendum uitschrijven over een opnieuw samen te stellen Europese grondwet, bij voorkeur bij de Europese verkiezingen van 2009.
De VVD is vager. Deze partij wil slechts dat “het nationale en Europees parlement [werk moeten maken] van de subsidiariteits- en proportionaliteitstoets om overbodige of te gedetailleerde regelgeving te voorkomen.” Ook de ChristenUnie spreekt van zo’n subsidiariteitstoets: “onderwerpen [horen] in Brussel thuis, als ze aantoonbaar beter op Europees niveau behartigd kunnen worden.” Echter, nergens staat wie daarover op basis van welke criteria beslist.
De PvdA is weer uiterst concreet. De sociaal-democraten vinden dat burgers de voorzitter van de Europese Commissie rechtstreeks moeten kunnen kiezen. “Die man of vrouw is immers ‘het gezicht van Europa’ in de wereld.” Het CDA heeft vooralsnog geen standpunt ingenomen over democratie in Europa.
Tot slot: over het democratisch tekort in Europa wordt veelvuldig en uitvoerig geschreven, meestal in figuurlijke en abstracte zin. Derhalve lenen talrijke artikelen zich slecht voor een constructieve discussie over de toekomst van de Europese Unie. Leest u hier een fragment van Thomas von der Dunk in de Internationale Spectator - een typisch voorbeeld:
“Tegen die achtergrond werd ook het blijvend democratisch tekort in Brussel, in combinatie met het verlies aan Nederlands gewicht, als een risico geziene voor behoud van onze eigenheid. Want waar Zundert en Zevenaar niet langer de nationale leefgemeenschap helder afbakenden, dienden er ten minste duidelijke Europese grenspijlers te zijn, die toch niet pas bij de Eufraat mochten liggen.”
